Functiemenging in het Oostelijk Havengebied

nieuws

De ruimteclaims voor wonen, werken, verkeer, groene ruimte, waterberging en recreatie stapelen zich op. Nederland is te klein om al deze claims te accommoderen. Meervoudig ruimtegebruik wordt gezien als het nieuwe inrichtingsconcept om dit dilemma op te lossen. Begin jaren tachtig werden echter al de eerste bescheiden stappen in die richting gezet. In het Oostelijk Havengebied in Amsterdam werd functiemenging toegepast. Uit de ontwikkeling van functiemenging in dit gebied kunnen lessen worden getrokken voor de toekomst.

Rond 1980 namen de plannen om het Oostelijk Havengebied te transformeren naar een woonwijk steeds duidelijkere vormen aan. In deze tijd stond het concept van de compacte stad hoog op de agenda en functiemenging was daar onlosmakelijk mee verbonden. In de periode van ontwikkeling werd meer aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Hierdoor kan het Oostelijk Havengebied worden aangemerkt als een proeftuin voor functiemenging en het bredere concept van meervoudig ruimtegebruik.

Functiemenging is per definitie een stedelijk fenomeen dat zich beperkt tot de menging van woon- en werkfuncties. Het doel is het terugbrengen van de diversiteit, levendigheid en duurzaamheid in de stad. De oorsprong van deze gedachten gaat terug naar Jacobs (1961), die zich afzette tegen de functionele stad met grootschalig gescheiden grondgebruik. Jacobs pleitte voor kleinschaligheid en een mix van wonen en dienstverlenende bedrijvigheid in stedelijke gebieden. In reactie op de traditionele stadsvernieuwing groeide in Nederland in de jaren tachtig van de vorige eeuw het besef dat het binnenstedelijk woonmilieu gebaat was bij de aanwezigheid van (kleinschalige) bedrijvigheid. Functiemenging is de voorloper van meervoudig ruimtegebruik. Bij meervoudig ruimtegebruik gaat het over de menging van alle mogelijke functies en dan niet alleen in ruimtelijke zin, maar ook in de tijd (Priemus e.a., 2000). Daarnaast wordt ook het intensief ruimtegebruik benadrukt, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen. De doelstellingen van meervoudig ruimtegebruik zijn breder dan die van destijds de compacte stad. Landschappelijke en ecologische doelstellingen tellen even zwaar als stedelijke vitaliteit. Sturing op kwaliteit is daarmee belangrijker geworden dan sturing op functionaliteit.

Het oostelijk havengebied
Het Amsterdamse Oostelijk Havengebied bestaat uit een aantal kunstmatige schiereilanden die rond 1900 zijn aangelegd in de nabijheid van de binnenstad ten behoeve van havengebonden activiteiten (zie figuur 1). In de jaren zeventig werden veel havenfuncties verplaatst naar de westelijke haventerreinen. Vanaf 1981 heeft de gemeente Amsterdam de havenactiviteiten in het Oostelijk Havengebied actief ontmoedigd en begon de planvorming om het gebied te transformeren naar een woongebied. De eerste ideeën gingen uit van gescheiden woon- en werkfuncties op buurtniveau. Een deel van de bestaande niet-havengebonden werkgelegenheid in de deelgebieden Cruquius en Zeeburgerpad kon hierdoor worden behouden, terwijl de nieuw in te richten terreinen Veemarkt en Panama dienden als opvang voor bedrijven uit de stadsvernieuwingsgebieden. In het westelijk deel van de Oostelijke Handelskade waren ‘city-ondersteunende functies’ voorzien, zoals kantoren voor de zakelijk dienstverlening.

Eind jaren tachtig werden in het Abattoir-terrein de eerste woningen opgeleverd. Het betrof voornamelijk woningen in de sociale huursector. Gedurende deze tijd voltrokken zich twee belangrijke beleidswijzigingen. Enerzijds werd in het landelijk volkshuisvestingsbeleid de nadruk veel sterker gelegd op de woningbouw in de vrije sector, terwijl in de gemeentelijke plannen voor het Oostelijk Havengebied kleinschalige bedrijvigheid steeds meer aandacht kreeg. De gemeente stapte af van het idee om kleine bedrijventerreinen te realiseren (Veemarkt werd gerealiseerd maar Panama niet meer) en richtte zich meer op bedrijfsruimten in onderstukken of plinten van woongebouwen. Dit beleid werd voor het eerst toegepast bij de realisatie van het KNSM-eiland in de eerste helft van de jaren negentig. Na het KNSM-eiland werden respectievelijk het Java-eiland en Borneo/Sporenburg ontwikkeld. Momenteel nadert het deelgebied Rietlanden zijn voltooiing en is de ontwikkeling van de Oostelijke Handelskade in volle gang. Evenals op het KNSM-eiland bestaat de bebouwing op het Java-eiland uit middelhoogbouw met in de plint bedrijfsruimten. In deze gebouwen zijn bovendien diverse atelier- of woon-werkwoningen gerealiseerd op Borneo/Sporenburg lag de nadruk op laagbouw in hoge dichtheden. In de enkele middelhoge bouwblokken werden delen van de onderstukken gereserveerd voor bedrijvigheid. In de laagbouw zijn diverse woningen als atelier- of woon-werkwoningen ontwikkeld. Daarnaast werden alle ruimtes op de begane grond van de woningen met een hoog plafond (3,5 meter) uitgevoerd, waardoor zij voor meerdere doeleinden bruikbaar zijn. In de Rietlanden ten slotte bestaat een grote diversiteit aan bouwwijzen. In het gebied dat aansluit op Sporenburg is laagbouw gerealiseerd. Elders staan bouwblokken in middelhoog of hoogbouw. Ook staan in het deelgebied de Rietlanden een aantal kantoorgebouwen en is het winkelcentrum er gevestigd. In totaal zijn er in het Oostelijk Havengebied ruim 8.000 woningen gerealiseerd.

Functiemenging in het oostelijke havengebied
Wanneer de realisatie van de functiemenging in het Oostelijk Havengebied wordt bezien, valt op dat de menging op steeds lager schaalniveau tot stand kwam. In de jaren tachtig was het uitgangspunt functiemenging op buurtniveau, waarbij kleine bedrijventerreinen in woonbuurten voorkwamen. In de jaren negentig veranderde dit aanvankelijk naar menging binnen het buurtniveau in de vorm van bedrijfsruimten op de begane grond van woongebouwen. Later werd zelfs nadrukkelijk ook de menging op het laagst mogelijke schaalniveau, namelijk dat van het individuele adres (de woning) nagestreefd. Dit alles maakt het Oostelijk Havengebied tot een aantrekkelijke staalkaart van verschillende wijzen waarop wonen en werken worden gecombineerd.

Uit evaluatieonderzoek naar de bedrijvigheid in het gebied blijkt dat de doelstellingen uit 1987 voor een groot deel zijn behaald. In 2002 telde het gebied 4.605 arbeidsplaatsen ten opzichte van een geraamde 5.100. De achterstand valt daarbij te wijten aan de vertraagde ontwikkeling van de Oostelijke Handelskade. De nadruk werd vervolgens gelegd op bedrijven in woonbuurten en bedrijfssectoren die als niet-verzorgende worden aangemerkt. Dit betekende dat alle bedrijven op de bedrijventerreinen Cruquius, Zeeburgerpad en Veemarkt en bedrijfstakken als detailhandel, horeca en gezondheidszorg. buiten beschouwing werden gelaten. Deze laatste bedrijven vielen buiten het onderzoek omdat deze altijd in een woonwijk aanwezig dienen te zijn, ongeacht of functiemenging wel of niet wordt toegepast. In deze categorie bedrijven bleken tweemaal zoveel mensen werkzaam als destijds werd voorspeld, in totaal 1.757 werknemers van 956 bedrijven. Gemeten naar arbeidsplaatsen mag het beleid van functiemenging dus succesvol worden genoemd.

Nadere analyse leert dat in de woongebieden het kleinbedrijf overheerst. De middelgrote en grote bedrijven zijn uitsluitend te vinden op de bedrijventerreinen en in de kantoorgebouwen in de Rietlanden en Entrepot. In de woongebieden vinden we vooral bedrijven in de zakelijke dienstverlening: media, ICT en advies en ontwerp. Het betreft 58% van de bedrijven en 50% van de werkgelegenheid. Zoals tabel 1 laat zien weerspiegelt het hoge aandeel kleine tot zeer kleine bedrijven zich in de huisvesting. Voor de woongebieden in het Oostelijk Havengebied geldt dat bijna driekwart van de ondernemingen is gevestigd in een woning. De overige ondernemingen zijn voornamelijk in plinten van woongebouwen gevestigd. Het in de tweede helft van de jaren negentig gevoerde beleid van functiemenging op een laag schaal niveau wordt duidelijk uit tabel 2. Enerzijds is het aandeel woningen met een bedrijf in de recent voltooide deelgebieden Java-eiland en Borneo-Sporenburg groter dan in de eerder ontwikkelde deelgebieden als Abattoir en Entrepot. Anderzijds is er minder bedrijfruimte gerealiseerd in die woongebieden en komen bedrijven in woningen terecht.

Het oordeel van bedrijven
Onder de bedrijven in de woongebieden van het Oostelijk Havengebied is een telefonische enquête uitgevoerd om hun ervaringen met de toegepaste functiemenging te peilen. In totaal werden 210 bedrijven geïnterviewd. Driekwart daarvan is in een woning gevestigd. Over het algemeen blijken de ondernemers zeer tevreden over het Oostelijk Havengebied als vestigingsplaats. Qua bereikbaarheid per auto en ligging scoort het gebied bijzonder goed. Ook over de kenmerken en de representativiteit van de omgeving zijn de ondernemers in grote meerderheid positief gestemd. De gekozen stedenbouwkundige opzet en de architectonische invulling worden duidelijk op prijs gesteld. Veel minder tevreden zijn de ondernemers over de parkeervoorzieningen.

Belangrijke motieven voor de bedrijven om zich in het Oostelijk Havengebied te vestigen zijn: de aanwezigheid van passende werkruimte, de bereikbaarheid en de ligging van het gebied in de nabijheid van het centrum van Amsterdam. Opvallend is dat ook woonmotieven als vestigingsmotief voor bedrijven worden genoemd ondanks dat niet expliciet naar dit motief werd gevraagd. Woonmotieven als doorslaggevende factor worden tevens niet uitsluitend door bedrijven in een woningen genoemd, maar (zij het in minder mate) ook door bedrijven in bedrijfsruimtes. Bedrijven in bedrijfsruimtes noemen vaker zakelijke vestigingmotieven (kosten, omvang werkruimte, nabijheid klanten, bereikbaarheid en dergelijke) dan bedrijven gevestigd in een woning. Daarentegen noemen uitsluitend bedrijven in woningen het imago van het Oostelijk Havengebied als vestigingsmotief. Opvallend is verder dat esthetische en gevoelsmatige argumenten over de (woon)omgeving ook lijken mee te tellen. Het gaat daarbij om een positief oordeel over inrichtingskenmerken ten aanzien van het aanwezige water, het uitzicht of oordelen daarover in termen als creatief, representatief, prettig, leuk en sfeervol. Dit soort subjectieve motieven zijn weliswaar al eerder waargenomen in vestigingsplaatsonderzoeken (Pen, 2002), maar nu refereren deze nadrukkelijk naar een woonomgeving als vestigingsmilieu. Blijkbaar stelt de menging van wonen en werken hoge eisen aan de inrichting van de omgeving en kan het Oostelijk Havengebied wat dit aangaat geslaagd worden genoemd.

Functiemenging geslaag?
Het Oostelijk Havengebied wordt als een succesvolle ontwikkeling aangeduid. Architectonisch en stedenbouwkundig staat het gebied volop in de belangstelling en de bewoners zijn tevreden. Het onderzoek wijst uit dat ook ten aanzien van de werkgelegenheid en de tevredenheid van de ondernemers het Oostelijk Havengebied goed functioneert. Voldoet de functiemening dan aan de verwachtingen? En kan de toegepaste functiemenging worden beschouwd als een vorm van meervoudig ruimtegebruik?

Van meervoudig ruimtegebruik is zeker sprake wanneer we de dichtheid van de bebouwing in ogenschouw nemen. De gemiddelde dichtheid is honderd woningen per hectare. Maar menging heeft hier vooral betrekking op woon- en werkfuncties. Van recreatieve voorzieningen is nagenoeg geen sprake. De ruime wateroppervlaktes in het gebied hadden volgens de oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet moeten dienen als compensatie voor het nagenoeg ontbreken van groen., maar uit eerder onderzoek blijkt dat de bewoners dit niet zo ervaren (Bosch & Gadet, 2000).

De toegepaste functiemenging van wonen en werken wordt niet hinderlijk bevonden. Maar hebben de ondernemers profijt gehad van de functiemenging? In dit kader kunnen de drie hoofdcriteria van het begrip ruimtelijke kwaliteit worden gehanteerd: gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde (Hooimeijer e.a., 2001). Duidelijk is dat de belevingswaarde van het Oostelijke Havengebied voor de ondervraagde ondernemers hoog is. Ze ontlenen aan het gebied een zekere identiteit en herkenbaarheid. Voor een belangrijk deel hangt dit echter samen met het type en de omvang van de onderneming (kleine zakelijke dienstverlening) en de daarmee samenhangende functiecombinatie tussen wonen en werken. De identiteit en herkenbaarheid lijken bovendien meer samen te hangen met de woonfunctie dan met de werkfunctie. Ten aanzien van de gebruikswaarde kan met name de bereikbaarheid goed worden genoemd. Uit de enquête blijkt verder dat ondernemers ook tevreden zijn over de functionele kwaliteiten van hun huisvesting. Ontevredenheid is er vaak over de parkeervoorzieningen. Daarnaast mist ongeveer 40% van de ondervraagde ondernemers zakelijke en niet-zakelijke voorzieningen in hun omgeving. Agglomeratie-effecten op het niveau van het Oostelijk Havengebied lijken nauwelijks op te treden, hoewel de potentie aanwezig is.

Ten aanzien van de toekomstwaarde moet het Oostelijk Havengebied zich nog bewijzen. Geconstateerd kan worden dat het gebied toch vooral een woonwijk is en daaraan haar imago ontleent. De in de woonbuurten aanwezige bedrijven zijn kleinschalig en voor een belangrijk deel in woningen gesitueerd. Hierdoor zijn condities ontstaan die in ieder geval voor startende bedrijven gunstig zijn. Veel bedrijven worden immers vanuit huis opgestart, waarna er vervolgens groeimogelijkheden aanwezig zijn in de diverse bedrijfsruimtes in de plinten.

Echt meervoudig ruimtegebruik?
De algemene conclusie luidt dat de functiemenging is geslaagd in zijn uitvoering. De menging op laag schaalniveau heeft geleid tot een aanzienlijke toename van bedrijven en werkgelegenheid binnen het woonmilieu. Qua achterliggende doelstelling is de functiemenging minder geslaagd, de levendigheid volgens de definitie van Jacobs komt nagenoeg niet voor. De gemeente Amsterdam liet in de beginfase winkels en horeca alleen toe in het winkelcentrum. Hoewel nadien een zekere versoepeling is opgetreden, heeft dit geen sterk effect gehad op de levendigheid. De bedrijven die zich wel in de woonomgeving hebben kunnen vestigen, dragen gezien de aard van hun activiteiten nauwelijks bij aan de levendigheid. Zo hebben de bedrijven in bedrijfsruimtes over het algemeen geen uitstraling naar buiten toe in de vorm van bijvoorbeeld etalages en hebben bedrijven in woningen per definitie geen uitstraling. Ook genereren zei nauwelijks passantenstromen. Er heeft zich met andere woorden een bijna onzichtbare functiemenging voorgedaan.

Kunnen we deze functiemenging als meervoudig ruimtegebruik bestempelen? In zekere zin kan deze vraag bevestigend worden beantwoord omdat er sprake is van intensief ruimtegebruik met gemiddeld honderd woningen per hectare. Ter vergelijking: de VINEX-locaties hebben met dertig à veertig woningen per hectare een veel lagere dichtheid. Ten aanzien van de functiemenging is de meervoudigheid echter zeer beperkt. Feitelijk zijn alleen de functies wonen en werken ruim vertegenwoordigd. De overige functies, als verkeer en winkels zijn slechts overeenkomstig de behoefte van het gebied. De menging van wonen en werken is op vrij traditionele wijze uitgevoerd, enerzijds door het handhaven van een paar bedrijventerreinen en anderzijds door het creëren van bedrijfsruimten in plinten van gebouwen. Innovatief is wel dat een aanzienlijk deel van de menging tot stand is gekomen op zeer laag schaalniveau, namelijk in woningen. Dit is weliswaar geen zichtbare maar wel een flexibele manier van functiemenging omdat aanpassingen probleemloos zijn door te voeren. Het Oostelijk Havengebied kan dus niet als voorbeeld van meervoudig ruimtegebruik geworden. Het is echter wel een gebied met bijzondere ruimtelijke kwaliteiten, die door zowel bewoners als bedrijven worden gewaardeerd. Dit gegeven kenschetst het Oostelijk Havengebied zeker als een succesvolle ontwikkeling.

Literatuur
BOSCH, N. & J. GADET (2000) Wonen op het KNSM-eiland. Een evaluatieonderzoek naar de woonbeleving op het KNSM-eiland, Dienst Ruimtelijke Ordening, Amsterdam
HOOIMEIJER, P., H. KROON & J. LUTTIK (2001) Kwaliteit in meervoud. Conceptualisering en operationalisering van ruimtelijke kwaliteit voor meervoudig ruimtegebruik, Habiforum, Gouda
JACOBS, J. (2000) The death and life of great American cities, first published in 1961, Pimlico, London
LOUW, E. & E.C. HOPPENBROUWER (2002) Kleinschalige bedrijvigheid in het Oostelijk Havengebied, Onderzoeksinstituut OTB, Delft
PEN, C.J. (2002) Wat beweegt bedrijven. Besluitvormingsprocessen bij verplaatste bedrijven. Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen
PRIEMUS, H, P. NIJKAMP & F. DIELEMAN (2000) Meervoudig ruimtegebruik. Stimulansen en belemmeringe, Delft University Press, Delft

Artikel in Rooilijn door drs. E.C. Hoppenbrouwer en dr. E. Louw *

* drs. E.C. Hoppenbrouwer was werkzaam bij Bureau Stedelijke Planning bv in Gouda. dr. E. Louw is verbonden aan het Onderzoeksinstituut OTB van de Technische Universiteit Delft. Het beschreven onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de Gemeente Amsterdam.

PUBLICATIE GEPUBLICEERD IN Rooilijn Deel deze pagina

gerelateerde informatie